In de raadsvergadering van 19 oktober is, via een initiatiefvoorstel van CDA, GroenLinks en PvdB, besloten dat Tiel een stadsdichter krijgt. Namens deze partijen werd het volgende gedicht voorgedragen: ............
Spiegeltje, spiegeltje aan de wand
Kan meer zijn dan een regel in een sprookje
Een reflectie van hetgeen je bent
Of een blik op je andere kant
De stadsdichter is de spiegel van je stad
Maakt zichtbaar wat je wellicht niet zichtbaar had
Hij brengt gevoelens en opinies van burgers naar voren
Zodat beleidsmakers ze ook eens echt zullen horen
Woorden, woorden zo vaak gesproken, maar soms nimmer gehoord
Dat is juist het gevoel dat een stadsdichter zo mooi verwoordt
Maar de inzet van een Stadsdichter gaat veel verder dan dit
Ook functioneel kan hij worden ingezet
Zoals bij momenten van afscheid van een collegelid
Een echt dichtwerkje, macramé
Het borduren van een afscheidswerkje
Voor onze burgermeester
Als uiting van ..... bedankt, tot ziens, tabee!
Maar een stadsgedicht is ook een toegankelijke vorm van poëzie
Een verrijking van het Tielse culturele aanbod
Althans, zoals ik het zie
Daarom doen indieners CDA, PvdB en GroenLinks dit voorstel in uw Raad
En voor de poen
Hoeven we het echt niet te laten
maar zouden we het gewoon moeten doen!
Sven Ariaans, als zaadje ontkiemd op Tielse grond
Is inmiddels een boom van een vent geworden
Met zijn Tielse wortels en Amsterdamse vertakkingen richt hij zijn blik op ons
En wat ziet hij?
Tiel als een Amsterdam aan de Waal?
Of wordt nu toch het ‘pareltje in de Betuwe’, de metafoor van zijn verhaal?
Om het kunnen en het zijn van Stadsdichter Sven
Ook door u te laten voelen en horen
Zal ik, als klein verzoek
een stuk van hem citeren naar behoren
Uitgesproken als afsluiting van het Tielse GSO-Stadsbezoek
Dat is vast de reden dat u het waarschijnlijk al kent
“Ik trok destijds een krijtje
Van het darten uit mijn zakken
En begon te schrijven
Op een muurtje naast een gracht:
We suizen door het leven
En verzuipen in de massa
Als versgesekste kuikens
Met zijn allen in een bak
Waarin niemand elkaars namen kent
En ook nooit komt te weten
Want we zien elkaars uiterlijk
Herkennen het geslacht
Maar wat ons nu echt beweegt
Of hoe je denkt over het leven
Wordt door niemand je gevraagd
Als je alleen bent in de stad”.
En tot zover het citaat:
Klap, klap doen mijn handen
Voor het werk van onze stadsdichter